Home » Onderwerpen » Kennis en innovatie » Biotechnologie » LNV en biotechnologie » Biotechnologie en coëxistentie
Bij het telen van genetisch gemodificeerde gewassen speelt de zogenaamde coëxistentie een belangrijke rol. Coëxistentie is het naast elkaar bestaan van gangbare en biologische landbouw en de teelt van genetisch gemodificeerde organismen. Daarbij moet worden voorkomen dat de teelt van genetisch gemodificeerde kruist met de gangbare en biologische gewassen.
Gebeurt dat wel, dan kan dit economische gevolgen hebben (schade voor de producent van gangbare of biologische gewassen). Maar daarnaast zijn er ook ethisch-maatschappelijke (keuzevrijheid van consument en producent) en juridische aspecten (aansprakelijkheid).
De komst van genetisch gemodificeerde gewassen zorgt voor veel discussie in Nederland en de rest van Europa. De vraag is of de gangbare en biologische landbouw in harmonie met de teelt van genetisch gemodificeerde organismen kunnen bestaan. Dit wordt ook wel 'coëxistentie van genetische gemodificeerde gewassen, gangbare en biologische gewassen' genoemd. De teelt van genetische gemodificeerde gewassen kan er door vermenging en kruising toe leiden dat niet-genetisch gemodificeerde producten toch genetisch gemodificeerde stoffen kunnen bevatten. Op dit moment is er in Nederland geen commerciële teelt van genetisch gemodificeerde gewassen en is er slechts een beperkt aantal kleinschalige veldproeven.
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft de Nederlandse beleidslijn, mede namens de minister van Economische Zaeken (EZ) en de staatssecretarissen van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en Europese Zaken, op 2 oktober 2003 in een brief aan de Tweede Kamer gezonden.
Naar bovenHet huidige Nederlandse biotechnologiebeleid kan worden samengevat als 'kansen verantwoord en zorgvuldig benutten'. Daarbij wordt er van uitgegaan dat genetische gemodificeerde gewassen kunnen worden geteeld naast gangbare en biologische gewassen op basis van keuzevrijheid. Toepassingen van biotechnologie, zoals genetische gemodificeerde gewassen, mogen pas op de markt komen, als een wetenschappelijke risicobeoordeling heeft aangetoond dat deze toepassingen veilig zijn voor mens, dier en milieu.
Naar bovenAfhankelijk van de voorwaarden die zijn gesteld bij de markttoelating van een genetisch gemodificeerd gewassen, mogen deze gewassen worden geteeld en verhandeld in de Europese Unie. Op basis van de etiketteringsplicht in de regelgeving van de Europese Unie (EU) voor genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde diervoeders of levensmiddelen kan de consument of producent kiezen tussen wel of niet genetisch gemodificeerde producten. Het is aan de markt om verschillende producten van genetische gemodificeerde gewassen, gangbare en biologische gewassen aan te bieden. De vraag van de consument is hierbij de bepalende factor.
Naar bovenAansprakelijkheid voor economische schade is een onderwerp apart. Dit type aansprakelijkheid is niet op Europees niveau geregeld, maar een nationale aangelegenheid. In Nederland is deze aansprakelijkheid geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Zowel de teler van genetisch gemodificeerde gewassen als de conventionele of biologische teler kunnen hier in beginsel een beroep op doen.
Naar bovenHet biotechnologiebeleid in de EU volgt dezelfde lijn als het Nederlandse beleid. Voor de teelt (van zaaizaad tot levering van geoogst product) van genetisch gemodificeerde gewassen naast gangbare en biologische gewassen, is onlangs Europese regelgeving van kracht geworden. Hierin is de toelating, traceerbaarheid en etikettering van genetische gemodificeerde organismen, genetische gemodificeerd diervoeders en levensmiddelen geregeld.
In richtlijn EG/2001/18 is een nieuw artikel opgenomen dat bepaalt dat lidstaten maatregelen kunnen treffen op nationaal niveau om onbedoelde vermenging van gangbare en biologische gewassen met genetisch gemodificeerde organismen te voorkomen.
Verder heeft de Europese Commise (EC) de taak richtlijnen op te stellen. Dit doet de EC op basis van nationale en Europese onderzoeksgegevens. De EC heeft op 23 juli 2003 een aanbeveling over richtlijnen uitgebracht. De richtlijnen geven aan hoe EU-landen om moeten gaan met de ontwikkeling van genetisch gemodificeerde gewassen naast de gangbare en biologische landbouw.
Belangrijke uitgangspunten in de aanbeveling zijn onder meer:
De EC is overigens van mening dat regelgeving op Europees niveau ongewenst is, maar dat het de lidstaten vrij staat om al dan niet nationale maatregelen te nemen. Nederland en enkele andere lidstaten steunen het standpunt van de Commissie. Een aantal lidstaten dringt aan op Europese regelgeving. Wat betreft mogelijke nationale initiatieven is alleen bekend dat Denemarken en Duitsland met nationale, wettelijke maatregelen willen komen.
De biologische sector mag volgens Europese verordening EG/2092/91 in principe geen genetische gemodificeerde organismen of daarvan afgeleide producten gebruiken. Toch kan er sprake zijn van onbedoelde of technisch onvermijdbare menging. In deze verordening is echter geen grens of drempelwaarde afgesproken over het percentage genetisch gemodificeerde organismen dat een biologisch product maximaal mag bevatten.
In regelgeving voor traceerbaarheid, etikettering van genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders is wel zo'n drempelwaarde vastgesteld. Volgens die regelgeving is een drempelwaarde van 0,9 procent afgesproken: bevat een product meer dan 0,9 procent genetische gemodificeerde organismen, dan moet op het product een etiket staan met de vermelding dat het product genetische gemodificeerde organismen bevat. In de biologische landbouw mag geen gebruik worden gemaakt van genetische gemodificeerde organismen en daarvan afgeleide producten.
Naar bovenDe mogelijkheden van coëxistentie van genetisch gemodificeerde, gangbare en biologische gewassen worden beïnvloed door veel factoren. Deze worden hieronder kort toegelicht.
Naar bovenEen belangrijke factor is het type gewas (bijvoorbeeld kruisbestuiver of zelfbevruchter). Kruisbestuivende gewassen kunnen de grootste problemen geven, omdat bij deze gewassen de kans het grootst is dat gangbare en biologische gewassen met genetisch gemodificeerde gewassen worden vermengd. Voor Nederland gaat het om een beperkt aantal gewassen zoals maïs, koolzaad, grassen, appel (pitten in de vrucht) en aardbeien (pitjes op de vrucht). Van deze gewassen is tot op heden één maïsras voor de teelt toegelaten, maar dit ras wordt (nog) niet geteeld in Nederland. Bij de andere typen gewassen kan slechts in (zeer) geringe mate, onder bepaalde milieuomstandigheden, kruisbestuiving plaatshebben.
Naar bovenNaast het type gewas zijn de teeltomstandigheden van grote invloed op de mate van uitkruising van genetisch gemodificeerde organismen. Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de ernst van de problematiek zijn onder meer:
Ook kan vermenging van genetisch gemodificeerd materiaal met gangbaar of biologisch materiaal optreden tijdens verwerking en transport in verschillende schakels van de productieketen. Zo kan het bijvoorbeeld gebeuren dat bij transport of overslag in graanschepen (met ladingen van soms duizenden tonnen graan) relatief zeer kleine hoeveelheden genetische gemodificeerd graan zich mengen met niet-genetische gemodificeerd graan. Hiertegen kunnen maatregelen worden getroffen, maar vermenging is niet uit te sluiten en is minstens zo belangrijk als uitkruising van genetisch gemodificeerde organismen tijdens de teelt.
De vermenging tijdens verwerking en transport valt overigens buiten de beleidslijn over coëxistentie, die uitsluitend betrekking heeft op de teeltsituatie (van zaaizaad tot levering van geoogst product). Vermenging in andere schakels van de keten maakt deel uit van de verordeningen voor toelating, traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen, genetisch gemodificeerde diervoeders en levensmiddelen, die de Europese lidstaten op nationaal niveau nader moeten invoeren.
De kosten die het voorkomen van uitkruising met zich meebrengt, kunnen niet worden ingeschat op basis van praktijkervaring. Wel zullen deze sterk afhankelijk zijn van het bedrijfssysteem, van het type gewas en omvang van de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen. Verder spelen drempelwaarden voor vermenging een belangrijke rol: hoe lager de drempelwaarden, hoe moeilijker het is deze te controleren en hoe hoger de kosten zullen zijn.
Naar bovenHet ministerie van LNV heeft in 2003 twee bijeenkomsten georganiseerd met maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven om de verschillende standpunten van te bespreken en te verhelderen. De standpunten en oplossingen die zijn aangedragen door maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven liggen ver uiteen.
Aan de ene kant is er een groep die bestaat uit de biologische sector en de milieuorganisaties. Aan de andere kant staan het biotechnologiebedrijfsleven, het bedrijfsleven voor plantaardig uitgangsmateriaal en primaire productie, en de productschappen die te maken hebben met biotechnologieproducten.
Naar bovenDe biologische sector en de milieuorganisaties willen dat er geen genetisch gemodificeerde gewassen worden geteeld als niet kan worden gegarandeerd dat deze niet uitkruisen. Als er maatregelen moeten worden getroffen, moeten deze worden opgelegd aan de teler van genetisch gemodificeerde gewassen, die ook alle kosten voor zijn rekening moet nemen voor een teelt die vrij is van genetisch gemodificeerde gewassen, volgens het principe de vervuiler betaalt.
De maatregelen moeten bindend zijn via regelgeving, die bij voorkeur op EU-niveau voor alle lidstaten wordt geharmoniseerd. Aansprakelijkheid moet, ook bij voorkeur op EU-niveau, duidelijk worden geregeld. Deze groep vindt de huidige wetgeving op dit gebied, via het Burgerlijk Wetboek, onvoldoende.
Naar bovenHet biotechnologiebedrijfsleven, productschappen en bedrijfsleven voor plantaardig uitgangsmateriaal benadrukken onder meer de kansen van biotechnologie en het feit dat we in Nederland en Europa niet op een eiland zitten. De ontwikkeling en productie van genetisch gemodificeerde gewassen gaat in andere delen van de wereld volop door. Bedrijfsleven en productschappen willen zo min mogelijk regelgeving en reële drempelwaarden voor vermenging met genetisch gemodificeerde organismen. Alle gewassen, wel of niet genetisch gemodificeerd, moeten gelijkwaardig worden behandeld. Nultolerantie voor vermenging of uitkruising met genetisch gemodificeerde organismen is volgens hen een onhaalbare zaak.
Een belangrijk aspect hierbij is het signaal van een aantal organisaties, waaronder LTO Nederland, Plantum NL, Stichting Consument & Biotechnologie: het verdient de voorkeur om te zoeken naar oplossingen in de praktijk en niet in door de overheid opgelegde maatregelen.
Naar bovenDe overheid heeft begin 2004 een beroep gedaan op belanghebbenden en betrokkenen om in gesprek te gaan over coëxistentie van genetisch gemodificeerde, conventionele en biologische gewassen. Doel daarvan was het zoeken naar praktische oplossingen en het maken van afspraken over de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen naast gangbare en biologische gewassen. Zelfregulering door belanghebbende partijen zou hierbij voorop staan.
Gedurende het jaar 2004 hebben betrokken partijen: Biologica, Plantum Nl, LTO Nederland en de Stichting Aarde, Boer, Consument onder leiding van een onafhankelijk voorzitter overlegd. Aan het begin en aan het einde van dit traject is een klankbord van geïnteresseerde partijen geraadpleegd. De overheid heeft het proces ondersteund met informatie en expertise.
Naar bovenOp 2 november 2004 is aan de minister van LNV en de staatssecretaris van VROM het rapport Coëxistentie primaire sector overhandigd. De afspraken en aanbevelingen hebben betrekking op de gewassen aardappelen, suikerbieten en maïs en houden onder meer het volgende in:
In zijn reactie aan de Tweede Kamer van 7 april 2005 noemt minister Veerman, mede namens de staatssecretaris van VROM, de aanpak die het betrokken bedrijfsleven voorstelt voor coëxistentie realistisch en evenwichtig. Het initiatief voor de uitvoering van de afspraken ligt bij de deelnemende partijen en bij het Hoofdproductschap Akkerbouw. Als alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen zullen ook de ministeries van LNV en VROM zich inspannen om de afspraken in het rapport te concretiseren. Het betreft onder andere het onderzoek naar uitkruising van kruisbestuiving van gewassen, de garantstelling van een fonds waaruit onvoorziene schade wordt vergoed waarvoor geen enkele partij aansprakelijk kan worden gesteld, en de inzet ten behoeve van een akkoord van de Europese Commissie.
Naar bovenHoewel er in het verleden wel over is gepubliceerd, is het onderwerp coëxistentie bij uitstek een actuele discussie. Behalve de hierboven genoemde verwijzingen is er bij betrokken organisaties goede informatie verkrijgbaar. Zo heeft het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) een rapport opgesteld over Gewas- en teeltspecifieke knelpunten van uitkruising van GGO-gewassen naar GGO-vrije teelten en opties voor maatregelen.
Informatie over genetische gemodificeerde gewassen naast gangbare en biologische gewassen is ook beschikbaar in het Engels: Coexistence of genetically modified crops with conventional and organic crops: government policy.
Naar boven